Beleggen in box 1, box 2 of box 3: waar staat uw vermogen fiscaal het slimst?
Vermogen opbouwen kan in Nederland op drie fiscaal totaal verschillende manieren. U belegt privé in box 3, via uw eigen bv in box 2, of fiscaal gefaciliteerd voor uw pensioen in box 1. Elke route kent eigen tarieven, eigen voordelen en eigen beperkingen. Bovendien staat box 3 momenteel volop ter discussie, waardoor de afweging voor veel beleggers verandert. In dit artikel zet ik de drie boxen naast elkaar en laat ik zien waarom vooral ondernemers baat hebben bij een slimme combinatie.
De drie boxen in het kort
Het Nederlandse belastingstelsel deelt uw inkomen op in drie categorieën, ook wel boxen genoemd. Elke box kent een eigen tarief en een eigen manier van heffen.
Box 1 belast uw inkomen uit werk en woning. Hier vallen uw salaris, uw winst uit onderneming en later uw pensioenuitkering onder. In deze box zit ook het fiscale voordeel van pensioenbeleggen, omdat u de inleg in een lijfrente mag aftrekken van uw belastbaar inkomen.
Box 2 belast uw inkomen uit aanmerkelijk belang. Heeft u vijf procent of meer van de aandelen in een bv? Dan valt het dividend dat u uitkeert en de winst bij verkoop van uw aandelen in deze box.
Box 3 belast uw sparen en beleggen in privé. Alles wat u privé bezit en geen eigen woning of ondernemingsvermogen is, telt hier mee.
Beleggen in box 3: uw vermogen in privé
De meest voor de hand liggende route is beleggen op een gewone beleggingsrekening op uw eigen naam. Dat is eenvoudig, flexibel en u kunt er altijd bij.
Hoe werkt de belasting in box 3 in 2026?
Op dit moment werkt box 3 nog met het overbruggingsstelsel. De Belastingdienst kijkt daarbij niet naar uw werkelijke opbrengst, maar rekent met vaste percentages per vermogenscategorie. Voor 2026 gelden deze forfaits:
| Categorie | Forfaitair rendement 2026 |
|---|---|
| Banktegoeden en contant geld | 1,28% (voorlopig) |
| Overige bezittingen, waaronder beleggingen | 6,00% (definitief) |
| Schulden | 2,70% (voorlopig) |
Over het zo berekende rendement betaalt u 36% belasting. Voor beleggingen komt dat neer op een effectieve heffing van 6,00% × 36% = 2,16% van uw belegde vermogen per jaar, ongeacht wat u daadwerkelijk heeft verdiend.
Het heffingsvrije vermogen bedraagt in 2026 € 59.357 per persoon en € 118.714 voor fiscale partners. Daar betaalt u dus niets over.
De tegenbewijsregeling
Heeft u in werkelijkheid minder rendement behaald dan het forfait? Dan kunt u gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. U toont dan aan de Belastingdienst aan wat uw werkelijke rendement was, waarna u over dat lagere bedrag wordt belast. Deze regeling volgt uit het Kerstarrest van de Hoge Raad uit 2021, waarin het oude forfaitaire stelsel in strijd werd verklaard met het eigendomsrecht.
Let wel: bij de tegenbewijsregeling tellen ook ongerealiseerde waardestijgingen mee. In een goed beursjaar biedt de regeling u dus geen voordeel.
Voordelen en nadelen van box 3
Wat pleit vóór box 3? Vooral de eenvoud en de vrijheid. U kunt op elk moment geld opnemen, u heeft geen administratieve verplichtingen en u hoeft geen bv op te richten. Daarnaast is het heffingsvrije vermogen voor kleinere vermogens ruim bemeten.
Wat pleit ertegen? De heffing van 2,16% per jaar drukt structureel op uw rendement. Bovendien betaalt u die heffing ook in jaren waarin de beurs daalt, tenzij u de tegenbewijsregeling met succes toepast. Ten slotte is de toekomst van box 3 onzeker, waarover hieronder meer.
De toekomst van box 3: de stand van zaken
Rond box 3 speelt al jaren een politieke discussie. Die is nog altijd niet beslecht, en dat is voor beleggers belangrijk om te weten.
Wat de Wet werkelijk rendement box 3 wil regelen
Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wil af van de forfaits. In plaats daarvan zou u belasting gaan betalen over uw daadwerkelijk behaalde rendement. Voor de meeste vermogensbestanddelen geldt daarbij een vermogensaanwasbelasting: naast dividend en rente telt ook de jaarlijkse waardestijging mee, ook wanneer u niets heeft verkocht. Voor onroerende zaken en aandelen in start-ups en scale-ups zou daarentegen een vermogenswinstbelasting gelden, waarbij u pas afrekent bij verkoop.
De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028. De vraag is of dit haalbaar is.
Waarom het voorstel nog niet is aangenomen
De Tweede Kamer stemde op 12 februari 2026 in met het wetsvoorstel. Daarna liep het echter vast. De kritiek richtte zich vooral op de heffing over ongerealiseerde winst en op het ontbreken van een goede verliesverrekening. Eind februari 2026 kondigde de minister van Financiën al aan het voorstel aan te passen, uit vrees dat de Eerste Kamer het zou verwerpen.
Tijdens de plenaire behandeling op 30 juni 2026 verzocht het lid Crone om uitstel van de stemming. Dat verzoek werd gehonoreerd. De stemming is daarmee uitgesteld tot na de behandeling van een aangekondigde novelle, die op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Naar verwachting kan de Eerste Kamer die novelle pas in januari 2027 behandelen.
Er liggen daarnaast moties waarin de regering wordt verzocht het wetsvoorstel in te trekken en te vervangen door een stelsel dat volledig op vermogenswinstbelasting is gebaseerd. Ingetrokken is het voorstel echter niet.
Wat betekent dit voor u?
Kortom: het huidige forfaitaire stelsel blijft voorlopig gewoon van kracht, en de invoeringsdatum van 2028 staat onder druk. Voor beleggers betekent dat vooral onzekerheid. U weet niet met welke spelregels u over enkele jaren te maken heeft.
Juist die onzekerheid maakt de andere twee routes interessanter. Zowel box 2 als box 1 kennen namelijk fiscale regels die al jarenlang stabiel zijn.
Beleggen in box 2: via uw eigen bv of holding
Heeft u een bv of holding? Dan kunt u ervoor kiezen om winst niet als dividend uit te keren, maar in de vennootschap te laten staan en daar te beleggen.
Hoe werkt de belasting in box 2?
De heffing verloopt in twee stappen.
Eerst betaalt uw BV vennootschapsbelasting over het resultaat. In 2026 bedraagt dat 19% over de eerste € 200.000 winst en 25,8% over het meerdere. Wanneer koerswinsten precies in de heffing vallen, hangt af van de fiscale waarderingsregels die uw accountant toepast.
Vervolgens betaalt u box 2-belasting zodra u geld naar privé haalt. Dat tarief bedraagt in 2026 24,5% tot € 68.843 en 31% daarboven. Bij uitkering houdt de bv eerst 15% dividendbelasting in, die u verrekent met uw aanslag.
Tel beide lagen bij elkaar op en u komt bij de laagste tarieven uit op een gecombineerde druk van circa 38,9%. Bij de hoogste tarieven loopt dat op tot ongeveer 48,8%.
Voordelen en nadelen van box 2
Het grote voordeel is uitstel. Zolang u het geld in de bv laat staan, betaalt u alleen vennootschapsbelasting en nog geen box 2-heffing. Uw vermogen rendeert dus over een groter bedrag. Daarnaast valt vermogen in de bv niet in box 3, waardoor u de jaarlijkse forfaitaire heffing ontloopt. En anders dan bij pensioenbeleggen bent u volledig vrij in wat u belegt en wanneer u de bv laat uitkeren.
Daar staat tegenover dat de uiteindelijke totale belastingdruk hoog is. Bovendien brengt een bv kosten en administratieve verplichtingen met zich mee. Let ook op de regeling excessief lenen: leent u meer dan € 500.000 van uw eigen bv, dan wordt het meerdere als dividend belast.
Beleggen in box 1: pensioenbeleggen via een lijfrente
De derde route is beleggen binnen de fiscale pensioenruimte. U legt in op een lijfrenterekening of pensioenbeleggingsrekening en trekt die inleg af van uw belastbaar inkomen in box 1. Dit is de zogeheten derde pensioenpijler.
Hoe werkt de belasting in box 1?
Het fiscale mechanisme kent drie momenten.
Bij inleg trekt u het bedrag af tegen uw marginale tarief, mits u binnen uw jaarruimte blijft. In 2026 gelden in box 1 de tarieven 35,7% tot € 38.883, 37,56% tot € 79.137 en 49,5% daarboven. Een aftrek levert dus tot bijna de helft van uw inleg direct terug op.
Tijdens de opbouw telt het vermogen niet mee in box 3. U betaalt daar dus geen jaarlijkse heffing over, en ook een toekomstige vermogensaanwasbelasting raakt dit vermogen niet.
Bij uitkering betaalt u alsnog inkomstenbelasting in box 1. Zodra u de AOW-leeftijd bereikt, vervalt echter de AOW-premie in uw tarief. In de eerste schijf betaalt u dan nog 17,85% in plaats van 35,7%. Daardoor rekent u af tegen een lager tarief dan waartegen u destijds heeft afgetrokken.
Voordelen en nadelen van box 1
Fiscaal is dit de gunstigste route. U krijgt een directe teruggave, uw vermogen groeit volledig onbelast door en u rekent later af tegen een lager tarief. Bovendien zijn deze regels al decennia stabiel, wat een groot verschil is met box 3.
Er zijn wel twee harde beperkingen. Ten eerste is uw inleg gemaximeerd op uw jaarruimte, aangevuld met eventuele reserveringsruimte uit de afgelopen tien jaar. Ten tweede staat het geld vast tot uw pensioendatum. Neemt u het eerder op, dan volgt belastingheffing plus revisierente.
De drie boxen naast elkaar
| Box 1 (pensioenbeleggen) | Box 2 (bv of holding) | Box 3 (privé) | |
|---|---|---|---|
| Aftrek bij inleg | Ja, tot 49,5% | Nee | Nee |
| Heffing tijdens opbouw | Geen | Alleen VPB over resultaat | 2,16% per jaar over beleggingen |
| Heffing bij opname | Box 1, vanaf AOW vanaf 17,85% | 24,5% of 31% box 2 | Niet van toepassing |
| Gecombineerde druk | Laag | Circa 38,9% tot 48,8% | 2,16% per jaar |
| Maximale inleg | Jaarruimte en reserveringsruimte | Onbeperkt | Onbeperkt |
| Vrij opneembaar | Nee, tot pensioendatum | Ja, tegen box 2-heffing | Ja |
| Stabiliteit regels | Hoog | Hoog | Onzeker |
| Administratie | Minimaal | Jaarrekening en aangifte VPB | Minimaal |
De slimme combinatie voor ondernemers
Voor ondernemers hoeft de keuze geen keuze te zijn. Wie een holding heeft, kan beide routes tegelijk benutten. En juist die combinatie pakt fiscaal vaak het gunstigst uit.
Let op: een DGA heeft een andere jaarruimte dan een IB-ondernemer
Hier maken veel ondernemers een denkfout, dus dit is belangrijk om goed te begrijpen.
Bent u IB-ondernemer met een eenmanszaak of vof? Dan berekent u uw jaarruimte over uw winst uit onderneming. Bij een goed jaar levert dat een aanzienlijke ruimte op.
Bent u dga van een bv? Dan berekent u uw jaarruimte over uw salaris uit dienstbetrekking, niet over de winst van de bv. De winst van uw vennootschap telt dus niet mee. Uw jaarruimte is daardoor vaak kleiner dan u zou verwachten, en die is direct gekoppeld aan de hoogte van het salaris dat u zichzelf uitkeert.
Dat inzicht is precies wat de combinatie interessant maakt.
Rekenvoorbeeld: salaris, lijfrente en holding
Stel, uw holding behaalt in 2025 een resultaat van € 200.000 vóór uw eigen salaris. U kent uzelf een salaris toe van € 80.000. Uw bv heeft geen eigen pensioenregeling, dus uw factor A is nul.
Stap 1 — de jaarruimte over uw salaris
30% × (€ 80.000 − € 19.172) = € 18.248
Dat bedrag mag u in 2026 inleggen in een lijfrente. Omdat de aftrek van uw hoogste inkomen afgaat, valt een deel in de schijf van 49,5% en de rest in die van 37,56%. De teruggave komt daarmee uit op circa € 6.950.
Stap 2 — de rest van de winst in de holding
Na uw salaris resteert € 120.000 winst in de bv. Daarover betaalt de holding 19% vennootschapsbelasting, oftewel € 22.800. Er blijft dan € 97.200 over om binnen de vennootschap te beleggen, zonder dat daar box 3-heffing over wordt geheven.
Ter vergelijking: had u die € 97.200 als dividend naar privé gehaald om daar te beleggen, dan was u eerst € 25.658 aan box 2-belasting kwijt geweest. Er zou dan € 71.542 overblijven, waarover u vervolgens elk jaar 2,16% box 3-heffing betaalt.
Wanneer weegt de combinatie het zwaarst?
De combinatie werkt het best wanneer u een salaris uitkeert dat hoog genoeg is om serieuze jaarruimte te creëren, terwijl u de overige winst in de holding laat renderen. U benut dan het hoge aftrekpercentage in box 1 én het uitstel in box 2.
Heeft u de afgelopen jaren weinig of niets ingelegd? Dan is de reserveringsruimte extra interessant. Daarmee kunt u in 2026 bovenop uw jaarruimte nog eens tot € 42.753 inleggen. Bereken hier hoeveel u kunt inhalen.
Waar moet u op letten?
Uw salaris bepaalt uw jaarruimte, maar niet vrijblijvend. Als dga moet u zich houden aan de gebruikelijkloonregeling. U kunt uw salaris dus niet naar believen verhogen om meer aftrek te creëren. Overleg dit met uw accountant.
Leg nooit meer in dan uw ruimte toestaat. Boven de jaarruimte is de inleg niet aftrekbaar, terwijl u bij uitkering wél belasting betaalt. Daarnaast kan de Belastingdienst revisierente opleggen.
Houd rekening met liquiditeit. Geld in een lijfrente staat vast tot uw pensioendatum. Zorg dat u voldoende vrij vermogen achter de hand houdt, bijvoorbeeld in box 3 of in de bv.
Blijf onder de leengrens. Leent u meer dan € 500.000 van uw eigen bv, dan wordt het meerdere belast als dividend in box 2.
Laat u adviseren. De optimale verdeling hangt af van uw inkomen, uw leeftijd, uw pensioenopbouw en uw liquiditeitsbehoefte. Een fiscalist of financieel adviseur kan dit voor uw situatie doorrekenen.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen beleggen in box 1, box 2 en box 3?
In box 1 belegt u binnen uw fiscale pensioenruimte via een lijfrente. Uw inleg is aftrekbaar en het vermogen groeit onbelast, maar staat vast tot uw pensioendatum. In box 2 belegt u via uw eigen bv, waarbij u belasting uitstelt tot u geld naar privé haalt. In box 3 belegt u privé, waarbij u jaarlijks een forfaitaire heffing betaalt maar volledig vrij blijft over uw geld te beschikken.
Hoeveel belasting betaal ik over beleggingen in box 3 in 2026?
Voor beleggingen rekent de Belastingdienst in 2026 met een forfaitair rendement van 6,00%. Daarover betaalt u 36% belasting. Effectief komt dat neer op 2,16% van uw belegde vermogen per jaar. Het heffingsvrije vermogen bedraagt € 59.357 per persoon.
Is de Wet werkelijk rendement box 3 afgewezen?
Nee. De Tweede Kamer nam het voorstel op 12 februari 2026 aan. In de Eerste Kamer is de stemming op 30 juni 2026 echter uitgesteld, in afwachting van een novelle die op Prinsjesdag 2026 wordt aangeboden. Behandeling daarvan wordt pas in januari 2027 verwacht. Het voorstel is dus niet verworpen, maar de beoogde invoering per 2028 staat wel onder druk.
Kan ik als dga mijn jaarruimte over de winst van mijn bv berekenen?
Nee. Als dga berekent u uw jaarruimte over uw salaris uit dienstbetrekking, niet over de winst van de vennootschap. Dat verschilt van IB-ondernemers, die wel hun winst uit onderneming als grondslag gebruiken. De hoogte van uw salaris bepaalt daarmee hoeveel u fiscaal voordelig kunt inleggen.
Is beleggen in de bv voordeliger dan privé beleggen?
Dat hangt af van uw rendement en uw horizon. Een bv-structuur pakt doorgaans gunstiger uit wanneer uw werkelijke rendement lager ligt dan het forfait van 6% in box 3, of wanneer u het geld langdurig kunt laten staan en zo belasting uitstelt. Staat daar tegenover dat u het geld snel naar privé wilt halen, dan drukt de gecombineerde heffing van bijna 39% tot ruim 48% zwaar.
Waarom is pensioenbeleggen fiscaal het gunstigst?
Omdat u drie voordelen combineert: een directe aftrek tegen maximaal 49,5%, een volledig onbelaste groei zonder box 3-heffing, en een afrekening bij uitkering tegen een lager tarief doordat na de AOW-leeftijd geen AOW-premie meer verschuldigd is. De keerzijde is dat uw inleg gemaximeerd is en het geld tot uw pensioendatum vaststaat.
Kan ik box 1, box 2 en box 3 combineren?
Ja, en voor ondernemers is dat vaak de verstandigste route. U benut eerst uw jaarruimte in box 1 vanwege de hoge aftrek, laat vervolgens winst renderen in de holding in box 2, en houdt daarnaast vrij opneembaar vermogen aan in box 3 voor de korte termijn.
DISCLAIMER
BelegNuVoorLater.nl is een onafhankelijk informatie- en vergelijkingsplatform. De informatie in dit artikel is algemeen van aard en vormt geen persoonlijk financieel of fiscaal advies. De genoemde bedragen en percentages zijn gebaseerd op de regelgeving per 2026 en kunnen jaarlijks wijzigen. Raadpleeg een financieel adviseur of belastingadviseur voor advies afgestemd op uw persoonlijke situatie.